Hoofdpagina Ga naar HENRI OOSTHOUT
NederlandsEnglishEN
Westerse wijsbegeerte van Kant tot heden
Overzicht van de tweede les
© Henri Oosthout | 2024

Stromingen

◇ Nihilisme (zinloosheid van alle filosofie)

◇ Idealisme (primaat van de geest)

◇ Realisme (primaat van de materie, de wereld)

◇ Fenomenologie (hoe de wereld aan ons verschijnt)

◇ Hermeneutiek (hoe wij de wereld duiden)

◇ Levensfilosofie (existentialisme, irrationalisme, anti-intellectualisme)

◇ Relativisme (betrekkelijkheid van de waarheid)

◇ Pragmatisme (hoe wij waarheid ‘bedrijven’)

◇ Analytische filosofie (wat wij met taal doen)

◇ Procesfilosofie (de wereld als wording)

Hartstocht, dwaling en zelfbedrog: Friedrich Nietzsche

De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek — Nietzsche (1844–1900) als jonge hoogleraar klassieke letterkunde over het irrationele in de Griekse cultuur, die niet alleen door de verheven sereniteit van de kuise god Apollo maar evenzeer door de wilde levensdrift van de liederlijke wijngod Diony­sus was gestempeld.


De rationalist Socrates als

werktuig van de Griekse ontbinding, als typische decadent … “verstandigheid” tegen instinct; de “verstandigheid” tot elke prijs als gevaarlijke, als levens­ondergravende macht.


In Poging tot zelfkritiek schrijft Nietzsche over zijn jeugdwerk:

Een onmogelijk boek, slecht geschreven, plomp, hier en daar versuikerd tot het feminiene.


Nietzsches plan voor een «herwaardering van alle waarden» (Umwertung aller Werte), een drieluik in de trant van Kants drie kritieken:

◇ ‘De antichrist’ of kritiek van het christendom.

◇ ‘De vrije geest’ of kritiek van de ‘filosofie als nihilistische beweging’.

◇ ‘De immoralist’ of kritiek van de ‘noodlottigste soort van onwetendheid’: de moraal.

Deze gevolgd door een slotdeel: ‘Dionysus: filosofie van eeuwige wederkeer’, dat Nietzsches nieuwe metafysica moest bevatten.


Voorbij goed en kwaad — over de nieuwe filosoof:

Een nieuwe soort van filosofen komt op; ik waag het hen met een niet onge­vaar­lijke naam te dopen. Voorzover ik hen raad, voorzover zij zich laten raden — want het hoort tot hun aard ergens raadsels te willen blijven — zouden deze filosofen van de toekomst recht, misschien ook geen recht erop hebben als probeerders (Versucher) te worden aangeduid. Deze naam zelf is uit­ein­de­lijk slechts een poging (Versuch) en, zo men wil, een verleiding (Versuchung).


Menselijk, al te menselijk — Tegen de oude metafysica:

Wij kijken naar alle dingen door het hoofd van een mens en wij kunnen dit hoofd niet afsnijden, terwijl toch de vraag overblijft wat van de wereld nog zou bestaan als men het had afgesneden. Dit is een zuiver wetenschappelijk probleem en niet zeer geschikt om de mensen zorgen te baren. Maar alles wat metafysische veronderstellingen voor hen tot nu toe waardevol, afschrik­wekkend of plezierig hebben gemaakt, alles wat de metafysica heeft voortge­bracht, is hartstocht, dwaling en zelfbedrog.


Metafysica is

de onbeduidendste van alle kennis: nog onbeduidender dan voor een schipper in stormgevaar de kennis van de chemische analyse van water.


De vrolijke wetenschap, een werk

in de taal van de dooiwind geschreven: er zit overmoed, onrust, tegenspraak, aprilweer in.


Denken en bewustzijn onderdeel van de mense­lijke ‘kudde­na­tuur’:

Wij hebben helemaal geen orgaan voor het kennen, voor de “waarheid”. Wij weten (of geloven of beelden ons in) juist zoveel als in het belang van de mensenkudde, van de soort, nuttig kan zijn.

Wat hier “nut” wordt genoemd, is uiteindelijk ook een geloof, een inbeelding en misschien wel die noodlottigste domheid waaraan wij eens te gronde gaan.


Elders:

Ergens in een afgelegen hoek van deze kosmos die zich uitspant in de fonke­ling van ontelbare zonnestelsels, was eens een hemellichaam waar slimme dieren de kennis uitvonden.

Een eeuwigheid lang was die intelligentie er niet en wanneer het weer met haar gedaan zal zijn, zal er niets gebeurd zijn, want die intelligentie had geen ruimere opdracht, geen opdracht die verder moest gaan dan het menselijke leven.


Ecce homo: hoe men wordt wat men is — het noodzakelijke liefhebben:

Mijn formule voor de grootsheid van de mens is amor fati: dat men niets anders wil hebben, voorwaarts niet, achterwaarts niet, in alle eeuwigheid niet. Het noodzakelijke niet alleen verdragen, nog minder verhelen — alle idealisme is leugenachtigheid tegenover het noodzakelijke — maar het liefhebben.


Wil tot macht — Tegen Schopenhauer: niet de wil maar de macht is het hoog­ste metafysische principe:

En dit geheim sprak het leven tot mij: “Zie,” sprak het, “ik ben dat wat altijd zichzelf moet overwinnen. Gij noemt het wel wil tot voortbrengen of drift tot een doel, tot iets hogers, verders, veelvuldigers, maar dit alles is één en een geheim. Liever nog ga ik ten onder dan dat ik dit ene zou verzaken; en waar­lijk, waar ondergang is en vallende bladeren, zie: daar offert zich leven … om macht!

Alleen waar leven is, daar is ook wil, niet echter wil tot leven maar — zo leer ik u — wil tot macht! Veel wordt door de levende hoger geschat dan het leven zelf, maar uit het schatten zelf spreekt … de wil tot macht!


Aldus sprak Zarathustra — De bovenmens (Übermensch):

Ik leer u de bovenmens. De mens is iets dat moet worden overwonnen. Wat hebt gij gedaan om hem te overwinnen? Alle wezens schiepen tot nu toe iets boven henzelf uit; en gij wil de eb van deze grote vloed zijn en nog liever tot de dieren terugkeren dan de mensen overwinnen?

De mens is een koord, geknoopt tussen dier en bovenmens, een koord boven een afgrond. Een gevaarlijk naar-de-overkant, een gevaarlijk op-de-weg, een gevaarlijk terugblikken, een gevaarlijk huiveren en blijven staan. Wat groot is aan de mens, dat is dat hij een brug en geen doel is; wat geliefd kan worden aan de mens, dat is dat hij een overgang en een ondergang is.


De ‘bovenmens’ is niet eindpunt van een evolutie of vertegenwoordiger van een superieur ras, maar een ideaal mensentype dat in elke tijd en onder elk volk kan optreden, al is dit ideaal volgens Nietzsche nog nooit verwezenlijkt:

Nog nooit was er een bovenmens. Al te gelijk zijn zij nog aan elkaar. Waarlijk, ook de grootsten vond ik … al te menselijk!


Aldus sprak Zarathustra — Theorie van de eeuwige wederkeer:

Nu sterf en verdwijn ik; nu ben ik in een niets. Maar de wrong van oorzaken keert weer, waarmee ik ben verstrengeld: die zal mij weer scheppen. Ikzelf be­hoor tot de oorzaken van de eeuwige wederkomst. Ik kom weer, met deze zon, met deze aarde, met deze adelaar, met deze slang — niet voor een nieuw leven of een beter leven of een soortgelijk leven — ik kom eeuwig weer tot dit gelijke, ditzelfde leven, in het grootste en ook in het kleinste, om weer van alle dingen de eeuwige wederkomst te leren.


De eeuwige wederkeer

de wetenschappelijkste van alle mogelijke hypothesen

maar ook

de extreemste vorm van nihilisme: het niets (het “zinloze”) eeuwig!


Herwaardering van alle waarden — Over zichzelf:

Mijn lot wil dat ik de eerste fatsoenlijke mens moet zijn, dat ik mij in tegen­stelling weet tot duizenden jaren van leugenachtigheid.


Ecce homo: hoe men wordt wat men is

Ik ben geen mens, ik ben dynamiet.

Ik wil geen “gelovigen”; ik denk dat ik te boosaardig ben om in mezelf te gelo­ven.

Ik ben verschrikkelijk bang dat men mij op een dag heilig verklaart.

Kritiek van de historische rede: Wilhelm Dilthey

Wilhelm Dilthey (1833–1911) is grondlegger van de filosofische hermeneu­tiek: Grieks hermē­neu­tikē technē ‘kunst van het uitleggen’, naar de god Hermes die bood­schap­pen van de goden aan mensen overbracht.


De mens is, door in de wereld te leven, bij de wereld betrokken (Lebens­bezug). Daarom zal elke filosofie worden gestempeld door de periode en de maatschappij waarin zij ontstaat, en zal zij tegen deze achtergrond moeten worden uitgelegd.


Crisis in de filosofie: metafysica is van kennis van de waarheid ge­de­gra­deerd tot tijdgebonden wereldbeschouwing. De wetenschap maakt aan­spraak op waarheid maar zij laat de levensraadsels onopgelost.


Een bijzondere rol weggelegd voor de geschiedenis, die zich zowel van de metafysica als van de natuurwetenschap onderscheidt.

De geschiedenis beschrijft het eeuwige worden, in tegenstelling tot de voor-Kantiaanse metafysica die toegang meende te hebben tot een on­ver­an­der­lijk zijn. Haar belang was eerder onderstreept door Hegel (Weltgeschichte) en door de Duitse idealistische filosoof en letterkundige Friedrich Schlegel (1772–1829), die de geschiedenis verheerlijkte als de

universeelste, algemeenste en hoogste van alle wetenschappen

al meende Friedrich Schelling (1745–1814), eveneens van idealistische snit, dat geschiedenis tot het rijk van steeds wisselende ervaringen behoort en daarom geen onderwerp van filosofische reflectie kan zijn.


De hermeneutiek is dubbele uitleg: de mens interpreteert de wereld; de hermeneutiek interpreteert de we­reld­be­schou­wing.

In de loop van de geschiedenis veranderen de waarheden omtrent het leven zoals het leven zelf verandert. Zulke waarheden zijn niet zozeer relatief of beperkt geldig, maar zij hebben op verschillende momenten verschillende be­te­ke­nis­sen: zij zijn

gefixeerde voorstellingen van iets dat voort­schrijdt.


Zoals men de wereld niet kan beschouwen zonder in de wereld te leven, zo kan men ook de geschiedenis niet onderzoeken, daarin niet naar algemeen geldige waarheden speuren, zonder tegelijkertijd zelf van de geschiedenis deel uit te maken en haar te vormen.

Het tekort van de rede:

De werkelijkheid zelf kan in laatste instantie niet logisch opgehelderd maar slechts begrepen worden. In iedere realiteit die ons als zodanig is gegeven, is krachtens haar natuur iets onuitsprekelijks.


◇ Dilthey tegen Kant: het ‘ik’ en de wereld verbergen zich niet achter onze voor­stel­lin­gen. Erva­ring is een ‘belevenis’ (Erlebnis). Wat wij over deze belevenis zeggen, is ‘objectief waar’, omdat daarin bewustzijn en reali­teit — hoe de wereld voor mij is, het ‘voor mij bestaan’ (das Fürmichdasein) — samenvallen.

◇ Dilthey tegen Hegel:

Het leven kan niet voor de rechterstoel van de rede worden gebracht.

De geschiedenis heeft geen doel of richting, noch in de zin van vooruitgang, noch in de zin van Hegels absolute bewustzijn. De ge­schie­de­nis is een sa­men­stel­sel van kleine geschiedenissen, ieder met hun eigen gang, «vanaf de struc­tuur van het individuele leven tot aan de laatste al­om­vat­ten­de eenheid».


◇ Volgens de historicus Robin Collingwood (1889-1943) reduceert Dilthey de filosofie tot een louter psychologisch fenomeen, hetgeen inhoudt dat de filosofie niet langer zoekster naar waarheid kan zijn.

◇ Dilthey suggereert dat de opeenvolging van wereldbeschouwingen aan zekere wetmatigheden is onderworpen, maar hij werkt dit niet uit.

◇ Dilthey heeft de geesteswetenschappen van de natuurstudie losgemaakt. Hoe beide weer samen te brengen is niet de geringste opgave waarvoor de filosofie van vandaag zich gesteld ziet.


De tragiek van de eindigheid

Het leven is vrijheid tot ontwikkeling en aanpassing aan nieuwe omstandig­heden. Met elk idee dat de mens verwerft, elke gewoonte die hij zich eigen maakt, beperkt hij een zee van mogelijkheden en vormt hij zijn individuele ‘gestalte’ (Gestalt).

In het leven heerst echter evenzeer de ‘tragiek van de eindigheid’, wan­neer de ontwikkeling stokt omdat het individu niet meer weet te breken uit het keurslijf van de beperkingen van zijn persoonlijkheid.

Op de vraag naar de zin van het leven valt geen algemeen geldig antwoord te geven: «Ons idee van de betekenis van het leven is aan voortdu­rende veran­dering onderhevig» en «pas in het uur van de dood» kunnen wij «het geheel overzien».

Wel kan de mens zich in de loop van de tijd ontwikkelen, dat wil zeggen, een scherper inzicht in zichzelf en zijn bestaan krijgen, althans als hij bereid is zich daartoe in te spannen en niet vegeterend door het leven gaat.

Een nieuwe naam voor een oud idee: William James

Pragmatisme (Grieks pragma ‘ding’, ‘zaak’) is volgens zijn grondlegger Charles Sanders Peirce (1839–1924): filosofie van de ervaring.

Een overtuiging is volgens Peirce geheel en al gedefinieerd door de handel­wijze waartoe zij aanzet.

‘Waarheid’ en ‘werkelijkheid’ hebben slechts betekenis voorzover mensen in het algemeen daarnaar handelen:

De mening die bestemd is universele instemming te krijgen van allen die haar onderzoeken, is wat wij onder de waarheid verstaan, en het object dat in die mening figureert, is de werkelijkheid.


De pragmatist William James (1842–1910) snijdt de band tussen waarheid en werkelijk­heid geheel door: er bestaat geen algemene waarheid.

‘Een nieuwe naam voor een oud idee’, namelijk dat van de antieke sofist Protagoras: ‘de mens maat van alle dingen’. Terwijl Peirce deze uitspraak be­trok op de mens in het algemeen, volgt James de uitleg van Plato’s Theaetetus waar de stelling op individuele mensen slaat.

Volgens James is ‘waar’ geheel synoniem van ‘nuttig’, ‘bruikbaar’, ‘voorde­lig’ en wel voor dit en dit individu in dit en dit bijzondere geval.

James voorziet dat dit idee leidt tot een chaos van ‘ware’ meningen. Hij tracht dan toch ‘waarheid’ te definiëren als: ‘overeenkomstig de werkelijkheid’, maar wat ‘werkelijkheid’ voor de pragmatist precies betekent, blijft duister.


Psychologie van de filosofie

Volgens James is de geschiedenis van de wijsbegeerte

in hoge mate die van een botsing van menselijke karakters.

Het filosofische bedrijf lijdt hierdoor aan een zekere onoprechtheid. De filosoof wordt gestuurd door zijn temperament. Daarmee kan hij echter in het intellectuele debat geen eer inleggen. Hij moet dus op zoek gaan naar ‘onpersoonlijke redenen’ om zijn hoogst persoonlijke sympathieën en anti­pa­thieën jegens bepaalde ideeën en principes te staven.

Grosso modo valt het filosofenvolk volgens James in twee groepen uiteen:

◇ de ‘teerhartigen’ (tender-minded): rationalisten, intellectualisten, idea­lis­ten, optimisten, gelovigen, aanhangers van de vrije wil, monisten en dog­ma­ti­ci;

◇ en de ‘ruwhartigen’ (tough-minded): empiristen, waarnemers, ma­te­ria­lis­ten, pessimisten, ongelovigen, pluralisten en sceptici.


De wil te geloven

James eist het recht op een religieus geloof aan te hangen, niet omdat zulk geloof objectief waar zou zijn, ook niet omdat het op de een of andere manier nuttig zou zijn, maar eenvoudigweg omdat James wil geloven.

Scepticisme preken als plicht totdat ‘voldoende bewijs’ voor religie is ge­von­den, staat gelijk aan zeggen dat het met betrekking tot de religieuze hypo­these wijzer is toe te geven aan onze angst dat die een dwaling is dan aan onze hoop dat zij waar is.


Een wereld van zuivere ervaring

James hangt een radicaal empirisme aan: de wereld bestaat uit niets dan ervaringen. Op deze wijze meent James Kants scheiding tussen bewustzijn (‘ik’) en buitenwereld, of tussen geest en materie, op te kunnen heffen.

Het bewustzijn bestaat niet; het ding bestaat niet.

Kennen of zich bewustzijn en gekend worden of ding zijn, zijn beide slechts vormen van ervaring.


Kwesties:

◇ 1. — Verschilt de geestelijke wereld (de kenner) niet essentieel van de materiële (het gekende)? Dingen hebben afmetingen, gedachten niet. Een mes van metaal kan verwonden, een mes in iemands gedachte kan dat niet.

James: het verschil tussen verbeelding en de zogenaamde werkelijkheid is niet een verschil in eigenschappen maar een verschil in relaties tusen eigen­schap­pen.

◇ 2. — Met betrekking tot ons denken voelen wij een intimiteit die wij niet voelen met betrekking tot de dingen.

James: de stroom van onze gedachten is als fenomeen weliswaar on­mis­ken­baar, maar hij is tegelijkertijd slechts een slordige naam voor wat eigenlijk niets anders is dan de stroom van mijn ademhaling of zekere andere conti­nue levensprocessen. Zo is ook het geheimzinnige ‘ik denk’ dat volgens Kant alles begeleidt waaraan ik denk, in werkelijkheid het ‘ik adem’ dat inderdaad al mijn gedachten vergezelt.


James brengt de filosofie terug naar de tweesprong waarvoor Kant haar stelde: ofwel de wereld is wer­ke­lijk en simpelweg zoals wij haar zien (rea­lis­me), ofwel zij is ons geheel en al slechts gegeven als voor­stel­ling (idea­lis­me).

Wij hoeven tussen deze beide ideeën niet te kiezen, zegt James; wij kun­nen eenvoudig op de tweesprong blijven staan.

© Henri Oosthout |