Hoofdpagina Ga naar HENRI OOSTHOUT
NederlandsEnglishEN
De ontdekking van de wereld: hoofdstukken uit de natuurfilosofie
Eerste les
© Henri Oosthout | 2024

Filosofie begint met verwondering; en aan het slot, wanneer het filosofische denken zijn best heeft gedaan, blijft de verwondering.

Alfred North Whitehead (1861–1947)

Waartoe natuurfilosofie?

➀ De na­tuur­we­ten­schap drijft op de be­grij­pe­lijk­heid van de wereld maar de be­grij­pe­lijk­heid van de wereld is een mysterie dat door de we­ten­schap zelf niet kan worden opgelost.

Wat is het in de natuur dat dit laat gebeuren, dat het mogelijk is op grond van één deel te raden wat de rest gaat doen? Dat is een on­we­ten­schap­pe­lij­ke vraag: ik weet daarop geen antwoord en daarom ga ik een on­we­ten­schap­pe­lijk antwoord geven. Ik denk dat dat komt omdat de natuur eenvoud en daar­om een grote schoon­heid bezit.

Richard Feynman (The character of physical law, 1965)

➁ Begrijpen is meer dan meten en voor­spel­len. Begrijpen is de omzetting van het on­voor­stel­ba­re in iets voor­stel­baars.

➂ Fi­lo­so­fi­sche be­schou­wing ver­hel­dert niet slechts de re­sul­ta­ten van de we­ten­schap. Zij gaat ook aan de we­ten­schap­pe­lij­ke theorie vooraf.


➃ Filosofie vertelt een wonderlijk verhaal over een wonderlijke wereld.

Na­tuur­filosofie tegenover natuurwe­ten­schap

➀ Wetenschap gaat uit van de kenbaarheid van de wereld. Filosofie is be­sef van het onvermogen de wereld werkelijk en volledig te kennen.

➁ De na­tuur­we­ten­schap zoekt oplossingen voor steeds nieuwe vragen. De na­tuur­fi­lo­so­fie geeft steeds ver­schil­len­de antwoorden op dezelfde (on­be­ant­woord­bare) vragen.

➂ Wetenschap verafschuwt de paradox. Filosofie omhelst de paradox.


Filosofie zonder na­tuur­we­ten­schap is ijdel. Na­tuur­we­ten­schap zonder filosofie is blind.

De kosmos van Thales tot Democritus

Grieks kosmos ’ordening’, ‘sieraad’.


De Griekse na­tuur­fi­lo­so­fie ont­stond in de zesde eeuw v.C. in Ionië aan de zuid­west­kust van Klein-Azië (het huidige Tur­kije).

Ge­op­per­de ver­kla­rin­gen:

◇ al­fa­bet,

◇ wel­vaart,

◇ kos­mo­po­li­tis­me,

◇ de­mo­cra­tie.


Kosmogonie

Waarlijk, eerst was er Chaos, en toen Aarde met brede boezem, eeuwig on­wan­kel­ba­re zetel van alle on­ster­fe­lij­ken die de toppen van de be­sneeuw­de Olympus bewonen, en de duistere Tar­ta­rus, verscholen onder de breed­ge­baan­de aarde, en Eros, schoonste van alle on­ster­fe­lij­ke goden, die de leden slaakt en in de borst ver­stand en bezonnen raad overweldigt. Uit Chaos kwamen voort Duisternis en donkere Nacht, en uit Nacht ont­spron­gen dan blauwe Lucht en Dag, die zij baar­de, zwanger nadat zij zich in lust met Duis­ter­nis had verenigd. En de Aarde bracht eerst de besterde Hemel voort, aan haar­zelf gelijk …

Hesiodus (achtste eeuw v.C.)


Water

Thales van Milete beweerde rond 600 v.C. dat water het ‘begin’ (archē) van alles is.

◇ Water bestanddeel van alle levende wezens.

◇ De aarde drijft op water.


◇ Dubbelzinnigheid van het begrip archē: ‘begin’ (herkomst) of ‘principe’ (es­sen­tie).

◇ Het idee dat alles leeft of bezield is (hylozoïsme).


Het onbepaalde

Anaximander, uit dezelfde stad, meende dat alle te­gen­stel­lin­gen voortkomen uit het ‘onbepaalde’ of ‘onbegrensde’ (apeiron).

Daarin ligt de oorsprong van de dingen en daarin gaan zij ook weer ten onder zoals het behoort, want de dingen geven elkaar recht en vergelding voor on­recht over­een­koms­tig de orde van de tijd.

Anaximanders symmetrie-argument: de aarde precies in het midden van het heelal, zodat er geen reden is waarom zij een bepaalde kant op zou vallen.

De zon gelijkend op een reusachtig wiel waarvan de velg is gevuld met vuur dat door een enkele opening zijn licht naar buiten werpt.


Anaximander suggereert het idee van de metafysische symmetrie: het al omvat alles en dus van alles ook het te­gen­ge­stel­de of de op­hef­fing, waardoor het we­reld­raad­sel — ‘Waarom is er iets en niet niets?’ — overgaat in: ‘Het iets is ei­gen­lijk niets’.


Een vroege evolutietheorie?

De dieren ontstonden in het vochtige, gehuld in een door­ni­ge bast, en pas met het verstrijken van de tijd kwa­men zij op het droge, waarna al snel hun bast open­brak en zij van levenswijze veranderden.

Onze voor­ou­ders zouden hun kin­der­tijd in haaien heb­ben door­ge­bracht.



Lucht

Anaximenes, eveneens uit Milete, koos lucht als oerelement.

Waar lucht ijler wordt, ontstaat vuur; trekt lucht samen, dan ontstaan ach­ter­een­vol­gens wind, nevel, water, aarde en steen.


‘Alles stroomt’

Volgens Heraclitus van Efese (rond 500 vC.), bijgenaamd ‘De duistere’, is de wereld het toneel van eeu­wi­ge ver­an­de­ring:

In dezelfde rivieren stappen wij en stappen wij niet. Wij zijn en wij zijn niet.


In de natuur voltrekt zich een onophoudelijke afwisseling van te­gen­ge­stel­den, die echter eigenlijk ook een en hetzelfde zijn:

De godheid is dag nacht, winter zomer, oorlog vrede, verzadiging honger: hij wisselt zoals vuur dat wordt vermengd met reukwaren; hij wordt genoemd naar de geur van elk.

Vandaar:

Oorlog is de vader van alles.


Heraclitus zou ook hebben geleerd dat vuur alles vernietigt en alles weer uit vuur ontstaat overeenkomstig de logos of ‘ordening’ van de kosmos.

Heraclitus werd scherp gekritiseerd door Parmenides:

Zij zwalken heen en weer, tegelijkertijd stom en blind, verdwaasden, horden zon­der on­der­schei­dings­ver­mo­gen, die menen dat bestaan en niet zijn het­zelf­de is en niet het­zelf­de, en dat van alle dingen de weg ook weer terugkeert.

Aldus stonden Heraclitus en Parmenides model voor een tweedeling in het latere natuurfilosofische denken:

◇ Model van Parmenides: er is geen verandering, slechts herschikking; de wereld bestaat uit duur­za­me ob­jec­ten (‘dingen’).

◇ Model van Heraclitus: er is slechts verandering, niets blijft hetzelfde; de wereld be­staat uit ge­beur­te­nis­sen.


Getal

De basis van de wetenschap in de school van Pythagoras (rond 500 v.C.) was de ontdekking dat de aan­ge­naam­ste muzikale intervallen op eenvoudige nu­me­rie­ke ver­hou­din­gen berusten.

Ook de he­mel­li­cha­men zouden tijdens hun omloop een ‘kosmische harmonie’ voort­bren­gen.

Vandaar:

Alles wat wij kennen heeft een getal, want zonder getal zouden wij ons van niets een begrip kunnen vormen en niets kunnen kennen.

Volgens Aristoteles meenden de py­tha­go­reeërs niet alleen dat dingen door ge­tal­len kunnen worden voorgesteld, maar ook dat zij werkelijk getallen zijn. Maar hoe, vraagt Aristoteles, kan gewicht ontstaan uit een ge­wicht­loos ge­tal?


Het onderscheid tussen even en oneven uitgebreid tot een lijst van fun­da­men­te­le te­gen­stel­lin­gen: recht – krom, vierkant – langwerpig, rechts – links, mannelijk – vrouwelijk, rust – beweging, licht – donker, goed – kwaad.


Kosmologie: vuur in het centrum van de kosmos; daaromheen cirkelen aarde en tegenaarde. Aristoteles merkt op:

Zij zochten niet naar redeneringen en oorzaken voor de verschijnselen maar sleepten verschijnselen aan en probeerden die te verzoenen met bepaalde redeneringen en ideeën die zij al hadden.


Liefde en haat

Empedocles van Akragas (vijfde eeuw v.C.) meende dat de kosmos bestaat uit vier elementen: vuur, lucht, water en aarde, en twee fun­da­men­te­le krachten: ‘Haat’ (afstoting) en ‘Liefde’ (aantrekking).

De vier elementen worden beurtelings door Haat uiteengedreven en door Liefde weer vermengd. In elke tussenfase ontstaan allerlei soorten werelden waarvan som­mi­ge levensvatbare wezens voortbrengen. De eigenschappen van stoffen ge­vormd uit de elementen worden bepaald door de verhoudingen van het men­gsel.


Er is geen ontstaan en vergaan, slechts herschikking van de elementen:

Nog iets anders zal ik je zeggen: van niets van al het sterfelijke is er ontstaan, noch is er een einde in de vorm van verderfelijke dood: er is slechts ver­men­ging en ont­men­ging van het ge­meng­de, en dit noemt men ‘ontstaan’.


Alles met rede begiftigd:

Want weet dat alles ver­stand heeft en in­zicht deelt.


Empedocles be­schouw­de zichzelf als een ‘ge­val­len god’, me­nig­maal ge­reïn­car­neerd:

Want ik was al eens een jongen en een meis­je, een wijn­rank en een domme vis uit de zee.


Alles samen

Anaxagoras van Klazomenai geniet de reputatie dat hij de Atheners met de fi­lo­so­fie in aanraking zou hebben gebracht.

Volgens Anaxagoras bestaat er geen grens tussen element en sa­men­stel­ling. Gedurende heel het bestaan van de wereld is ‘alles samen’ (panta homou).

Alles heeft aan alles deel. De dingen in de ene kosmos zijn niet van elkaar gescheiden; het warme kan met geen bijl van het koude en het koude niet van het warme worden af­ge­sla­gen.

Uit ‘alles samen’ volgt het oneindig grote en kleine:

Aan het kleine is geen uiterste en er is altijd iets kleiners, want iets dat is kan door deling onmogelijk overgaan in niet-zijn. Maar er is ook altijd iets groters dan het grote, en in hoeveelheid is het aan het kleine gelijk, want elk ding is ten opzichte van zichzelf zowel groot als klein.

De verhoudingen tussen de eigenschappen in dingen worden geregeld door een fijne stof, principe van beweging, die Anaxagoras ‘geest’ (nous) noemt.


Atomen

De atoomleer van Leucippus en Democritus (de ‘lachende filosoof’) steunt op de gedachte dat ‘zijn niet waarschijnlijker is dan niet zijn’. De kosmos berust daarom op twee basiselementen: de ‘volheid’ en de ‘leegte’, of ‘het dichte’ en ‘het ijle’.

De volheid is een veelheid van onvergankelijke deeltjes. Deze deeltjes heb­ben ruimtelijke afmetingen maar geen fysische ei­gen­schap­pen als kleur en smaak.

Hieruit volgt hun ondeelbaarheid (Grieks atomon ’on­deel­baar’), want deling zou hun meet­kun­di­ge vorm teniet doen.


Onze zintuigen nemen de atomen niet waar zoals zij werkelijk zijn:

In werkelijkheid weten wij niets, want de waar­heid schuilt in de diepte.


Niettemin zijn de zintuigen de gids van het ver­stand:

‘Ellendig verstand, uit ons haal je je be­wij­zen en toch verwerp je ons? Die ver­wer­ping be­te­kent je eigen val.’


In weerwil van zijn me­cha­nis­ti­sche we­reld­ver­kla­ring meent Democritus dat de geest uitstijgt boven het lichaam en dat geluk niet schuilt in materiële goe­de­ren maar in de ziel.

De geboorte van de moderne na­tuur­we­ten­schap (I)

Plato

Plato onderscheidt vijf basiscategorieën: bestaan, identiteit, verschil, rust, beweging.


Meetkundige verklaring van de stoffelijke wereld: punt >> lijn >> vlak >> ruimtelijk lichaam.

De materie (Grieks hulē ‘stof’) zuivere ‘ontvankelijkheid’ (hupodochē).


De wereld (kosmos) niet in tijd en ruimte maar tijd en ruimte in de wereld.

De demiurg schept de tijd als bewegend beeld (Heraclitus) van de on­be­weeg­lij­ke eeu­wig­heid (Parmenides).


Aristoteles

Volgens Aristoteles streeft de natuur steeds van vermogen (dunamis) naar realisatie (energeia).


Het gedrag van dingen bepaald door vier ‘oorzaken’ of ‘redenen’: hun materie, hun vorm, hun bewerker en hun doel.

Relativiteit van materie en vorm: iedere vorm kan als materie dienen voor een volgende vorm of ontwikkeling.


Alle verandering is beweging (kinesis); alle beweging vereist een beweger.

De ‘eerste beweger’ niet bron maar doel (aantrekking) van alle beweging in het universum.


De elementen door ge­meen­schap­pe­lij­ke ei­gen­schap­pen met elkaar ver­bon­den: aarde droog en koud, water koud en vochtig, lucht vochtig en warm, vuur warm en droog.


Opvattingen van Aristoteles die de ontwikkeling van de natuuurwetenschap hebben geremd:

◇ ‘Niets uit niets’: een ding kan slechts worden wat het in essentie al is.

In deze opvatting kan een systeem geen eigenschappen bezitten dat de sa­men­stel­len­de elementen niet bezitten.

◇ Observatie boven speculatie (inductie boven deductie).

Maar Aristoteles blijft steken in de collectie van waarnemingen en doet geen po­ging tot idealisering.

◇ De gelijkstelling van logica (redeneerkunst, syllogime) met ken­nis­ver­wer­ving.

◇ De notie van de ‘doeloorzaak’ (Latijn causa finalis).

‘De natuur doet niets zomaar. Alles in de natuur bestaat omwille van iets of het is een hulpmiddel voor iets anders dat bestaat omwille van iets.


Vier opvattingen over de natuur

◇ Stoa: de natuur doordrongen van logos (‘rede’, ‘orde’, ‘intelligentie’).

De logos in navolging van Heraclitus gelijkgesteld of vergeleken met vuur; van­daar de menselijke in­tel­li­gen­tie een ‘vonk’ van de rede die het universum be­stiert, en de Stoïsche houding tegenover het lot (ducunt volentem fata, nolentem trahunt).

◇ Epicurisme: zuiver mechanische natuuropvatting (atomisme).

De atomen vallen door de oneindige wereldruimte en komen soms door spon­ta­ne af­wij­kin­gen van hun baan bij elkaar.

◇ Aristoteles: de wereld wordt wat zij is (dynamisme).

◇ Plato: de wereld een wiskundige constructie.


Waarom de antieke natuuronderzoeker niet experimenteerde

(De economische verklaring: geen behoefte aan technologie door goedkope ar­beid.)

◇ De antieke na­tuur­we­ten­schap volstond met ‘de fenomenen te redden’.

◇ De antieke na­tuur­we­ten­schap zocht niet naar de wetmatigheid van de ver­an­de­ring maar naar het onveranderlijke achter de verandering.

◇ Volgens de classicus Francis Cornford schreef de antieke na­tuur­on­der­zoe­ker een ge­schie­de­nis van de kosmos die niet voor herhaling (ex­pe­ri­ment) vatbaar is.


Philosophia theologiae ancilla

In de Middeleeuwen was ‘de filosofie dienster van de theologie’. Voorzover de middeleeuwse filosofie was gericht op kennisvergaring, werd zij bovendien geheel beheerst door de logica van Aristoteles, die in dit tijdvak gold als ‘de filosoof’ zonder meer.

Kosmologische veronderstellingen, in 1277 veroordeeld door de bisschop van Parijs wegens strijdigheid met het geloof:

Dat God de hemel niet in rechtlijnige eenparige beweging kan brengen; want in dat geval zou er een vacuüm overblijven.

Dat wanneer alle hemellichamen weer tot hetzelfde punt terugkeren, dezelfde gebeurtenissen zich zullen herhalen.


Ockhams scheermes

In de veertiende eeuw poneerde William Ockham (in­cep­tor ve­ne­ra­bi­lis ‘eer­bied­waar­di­ge be­gin­ne­ling’),

◇ tegen Aristoteles (‘be­we­ging ver­eist een be­we­ger’), en

◇ voor­uit­lo­pend op Isaac New­ton (re­la­ti­vi­teit van be­we­ging en rust),

dat voor een con­stan­te be­we­ging geen oor­zaak of be­we­ger nodig is.

Beweging is slechts een ‘naam’ (Latijn nomen) voor de reeks van plaat­sen waar een voor­werp zich achtereenvolgens bevindt (no­mi­na­lis­me).

Deze gedachte werd tot algemeen na­tuur­fi­lo­so­fisch principe ver­he­ven in het ‘scheer­mes van Ockham’:

Entia non mul­ti­pli­can­da prae­ter ne­ces­si­ta­tem.

Men moet niet meer dingen aannemen dan nodig is.


Novum organum

De essayist, rechtsgeleerde, historicus, staatsman en na­tuur­fi­lo­soof Francis Bacon (1561–1626) ageerde fel tegen

◇ de steriele middeleeuwse logica (ge­ba­seerd op Aristoteles’ Organon):

‘niet om de waar­de­loos­heid van haar auteur, maar om de vruch­te­loos­heid van haar weg.

◇ magie, astrologie en alchemie.

Bacon verwijt de alchemist Paracelsus dat die zijn eigen motto, de natuur als leermeester, heeft verloochend:

Het heeft niet ontbroken aan zwetsende fantasten die, deels uit licht­ge­lo­vig­heid, deels uit bedrog, het men­se­lijk ras met beloften hebben overladen.


In zijn ‘Nieuwe werk­tuig’ (Novum or­ga­num) heeft Bacon zijn visie voor de na­tuur­we­ten­schap in kernachtige spreuken ver­woord:

De mens, dienaar en duider van de natuur, doet en begrijpt slechts zoveel als hij om­trent de natuurlijke orde, in het ding of in gedachten, heeft waar­ge­no­men. Meer weet hij niet, meer kan hij niet.

Doe een ex­pe­ri­ment of zoek verder.

De natuur regeert alles.

Het menselijke verstand is zichzelf tot last.

Een verstandige vraagstelling is om zo te zeggen de halve we­ten­schap.

De waarheid is een kind van de tijd, niet van autoriteit.

© Henri Oosthout |