
EN
Blog
Contact
Bestelformulier
Filosofie begint met verwondering; en aan het slot, wanneer het filosofische denken zijn best heeft gedaan, blijft de verwondering.
Alfred North Whitehead (1861–1947)
Waartoe natuurfilosofie?
➀ De natuurwetenschap drijft op de begrijpelijkheid van de wereld maar de begrijpelijkheid van de wereld is een mysterie dat door de wetenschap zelf niet kan worden opgelost.
Wat is het in de natuur dat dit laat gebeuren, dat het mogelijk is op grond van één deel te raden wat de rest gaat doen? Dat is een onwetenschappelijke vraag: ik weet daarop geen antwoord en daarom ga ik een onwetenschappelijk antwoord geven. Ik denk dat dat komt omdat de natuur eenvoud en daarom een grote schoonheid bezit.
Richard Feynman (The character of physical law, 1965)
➁ Begrijpen is meer dan meten en voorspellen. Begrijpen is de omzetting van het onvoorstelbare in iets voorstelbaars.
➂ Filosofische beschouwing verheldert niet slechts de resultaten van de wetenschap. Zij gaat ook aan de wetenschappelijke theorie vooraf.
➃ Filosofie vertelt een wonderlijk verhaal over een wonderlijke wereld.
Natuurfilosofie tegenover natuurwetenschap
➀ Wetenschap gaat uit van de kenbaarheid van de wereld. Filosofie is besef van het onvermogen de wereld werkelijk en volledig te kennen.
➁ De natuurwetenschap zoekt oplossingen voor steeds nieuwe vragen. De natuurfilosofie geeft steeds verschillende antwoorden op dezelfde (onbeantwoordbare) vragen.
➂ Wetenschap verafschuwt de paradox. Filosofie omhelst de paradox.
Filosofie zonder natuurwetenschap is ijdel. Natuurwetenschap zonder filosofie is blind.
De kosmos van Thales tot Democritus
Grieks kosmos ’ordening’, ‘sieraad’.
De Griekse natuurfilosofie ontstond in de zesde eeuw v.C. in Ionië aan de zuidwestkust van Klein-Azië (het huidige Turkije).
Geopperde verklaringen:
◇ alfabet,
◇ welvaart,
◇ kosmopolitisme,
◇ democratie.
Kosmogonie
Waarlijk, eerst was er Chaos, en toen Aarde met brede boezem, eeuwig onwankelbare zetel van alle onsterfelijken die de toppen van de besneeuwde Olympus bewonen, en de duistere Tartarus, verscholen onder de breedgebaande aarde, en Eros, schoonste van alle onsterfelijke goden, die de leden slaakt en in de borst verstand en bezonnen raad overweldigt. Uit Chaos kwamen voort Duisternis en donkere Nacht, en uit Nacht ontsprongen dan blauwe Lucht en Dag, die zij baarde, zwanger nadat zij zich in lust met Duisternis had verenigd. En de Aarde bracht eerst de besterde Hemel voort, aan haarzelf gelijk …
Hesiodus (achtste eeuw v.C.)
Water
Thales van Milete beweerde rond 600 v.C. dat water het ‘begin’ (archē) van alles is.
◇ Water bestanddeel van alle levende wezens.
◇ De aarde drijft op water.
◇ Dubbelzinnigheid van het begrip archē: ‘begin’ (herkomst) of ‘principe’ (essentie).
◇ Het idee dat alles leeft of bezield is (hylozoïsme).
Het onbepaalde
Anaximander, uit dezelfde stad, meende dat alle tegenstellingen voortkomen uit het ‘onbepaalde’ of ‘onbegrensde’ (apeiron).
Daarin ligt de oorsprong van de dingen en daarin gaan zij ook weer ten onder zoals het behoort, want de dingen geven elkaar recht en vergelding voor onrecht overeenkomstig de orde van de tijd.
Anaximanders symmetrie-argument: de aarde precies in het midden van het heelal, zodat er geen reden is waarom zij een bepaalde kant op zou vallen.
De zon gelijkend op een reusachtig wiel waarvan de velg is gevuld met vuur dat door een enkele opening zijn licht naar buiten werpt.
Anaximander suggereert het idee van de metafysische symmetrie: het al omvat alles en dus van alles ook het tegengestelde of de opheffing, waardoor het wereldraadsel — ‘Waarom is er iets en niet niets?’ — overgaat in: ‘Het iets is eigenlijk niets’.
Een vroege evolutietheorie?
De dieren ontstonden in het vochtige, gehuld in een doornige bast, en pas met het verstrijken van de tijd kwamen zij op het droge, waarna al snel hun bast openbrak en zij van levenswijze veranderden.
Onze voorouders zouden hun kindertijd in haaien hebben doorgebracht.
Lucht
Anaximenes, eveneens uit Milete, koos lucht als oerelement.
Waar lucht ijler wordt, ontstaat vuur; trekt lucht samen, dan ontstaan achtereenvolgens wind, nevel, water, aarde en steen.
‘Alles stroomt’
Volgens Heraclitus van Efese (rond 500 vC.), bijgenaamd ‘De duistere’, is de wereld het toneel van eeuwige verandering:
In dezelfde rivieren stappen wij en stappen wij niet. Wij zijn en wij zijn niet.
In de natuur voltrekt zich een onophoudelijke afwisseling van tegengestelden, die echter eigenlijk ook een en hetzelfde zijn:
De godheid is dag nacht, winter zomer, oorlog vrede, verzadiging honger: hij wisselt zoals vuur dat wordt vermengd met reukwaren; hij wordt genoemd naar de geur van elk.
Vandaar:
Oorlog is de vader van alles.
Heraclitus zou ook hebben geleerd dat vuur alles vernietigt en alles weer uit vuur ontstaat overeenkomstig de logos of ‘ordening’ van de kosmos.
Heraclitus werd scherp gekritiseerd door Parmenides:
Zij zwalken heen en weer, tegelijkertijd stom en blind, verdwaasden, horden zonder onderscheidingsvermogen, die menen dat bestaan en niet zijn hetzelfde is en niet hetzelfde, en dat van alle dingen de weg ook weer terugkeert.
Aldus stonden Heraclitus en Parmenides model voor een tweedeling in het latere natuurfilosofische denken:
◇ Model van Parmenides: er is geen verandering, slechts herschikking; de wereld bestaat uit duurzame objecten (‘dingen’).
◇ Model van Heraclitus: er is slechts verandering, niets blijft hetzelfde; de wereld bestaat uit gebeurtenissen.
Getal
De basis van de wetenschap in de school van Pythagoras (rond 500 v.C.) was de ontdekking dat de aangenaamste muzikale intervallen op eenvoudige numerieke verhoudingen berusten.
Ook de hemellichamen zouden tijdens hun omloop een ‘kosmische harmonie’ voortbrengen.
Vandaar:
Alles wat wij kennen heeft een getal, want zonder getal zouden wij ons van niets een begrip kunnen vormen en niets kunnen kennen.
Volgens Aristoteles meenden de pythagoreeërs niet alleen dat dingen door getallen kunnen worden voorgesteld, maar ook dat zij werkelijk getallen zijn. Maar hoe, vraagt Aristoteles, kan gewicht ontstaan uit een gewichtloos getal?
Het onderscheid tussen even en oneven uitgebreid tot een lijst van fundamentele tegenstellingen: recht – krom, vierkant – langwerpig, rechts – links, mannelijk – vrouwelijk, rust – beweging, licht – donker, goed – kwaad.
Zij zochten niet naar redeneringen en oorzaken voor de verschijnselen maar sleepten verschijnselen aan en probeerden die te verzoenen met bepaalde redeneringen en ideeën die zij al hadden.
Liefde en haat
Empedocles van Akragas (vijfde eeuw v.C.) meende dat de kosmos bestaat uit vier elementen: vuur, lucht, water en aarde, en twee fundamentele krachten: ‘Haat’ (afstoting) en ‘Liefde’ (aantrekking).
De vier elementen worden beurtelings door Haat uiteengedreven en door Liefde weer vermengd. In elke tussenfase ontstaan allerlei soorten werelden waarvan sommige levensvatbare wezens voortbrengen. De eigenschappen van stoffen gevormd uit de elementen worden bepaald door de verhoudingen van het mengsel.
Er is geen ontstaan en vergaan, slechts herschikking van de elementen:
Nog iets anders zal ik je zeggen: van niets van al het sterfelijke is er ontstaan, noch is er een einde in de vorm van verderfelijke dood: er is slechts vermenging en ontmenging van het gemengde, en dit noemt men ‘ontstaan’.
Alles met rede begiftigd:
Want weet dat alles verstand heeft en inzicht deelt.
Empedocles beschouwde zichzelf als een ‘gevallen god’, menigmaal gereïncarneerd:
Want ik was al eens een jongen en een meisje, een wijnrank en een domme vis uit de zee.
Alles samen
Anaxagoras van Klazomenai geniet de reputatie dat hij de Atheners met de filosofie in aanraking zou hebben gebracht.
Volgens Anaxagoras bestaat er geen grens tussen element en samenstelling. Gedurende heel het bestaan van de wereld is ‘alles samen’ (panta homou).
Alles heeft aan alles deel. De dingen in de ene kosmos zijn niet van elkaar gescheiden; het warme kan met geen bijl van het koude en het koude niet van het warme worden afgeslagen.
Uit ‘alles samen’ volgt het oneindig grote en kleine:
Aan het kleine is geen uiterste en er is altijd iets kleiners, want iets dat is kan door deling onmogelijk overgaan in niet-zijn. Maar er is ook altijd iets groters dan het grote, en in hoeveelheid is het aan het kleine gelijk, want elk ding is ten opzichte van zichzelf zowel groot als klein.
De verhoudingen tussen de eigenschappen in dingen worden geregeld door een fijne stof, principe van beweging, die Anaxagoras ‘geest’ (nous) noemt.
Atomen
De atoomleer van Leucippus en Democritus (de ‘lachende filosoof’) steunt op de gedachte dat ‘zijn niet waarschijnlijker is dan niet zijn’. De kosmos berust daarom op twee basiselementen: de ‘volheid’ en de ‘leegte’, of ‘het dichte’ en ‘het ijle’.
De volheid is een veelheid van onvergankelijke deeltjes. Deze deeltjes hebben ruimtelijke afmetingen maar geen fysische eigenschappen als kleur en smaak.
Hieruit volgt hun ondeelbaarheid (Grieks atomon ’ondeelbaar’), want deling zou hun meetkundige vorm teniet doen.
Onze zintuigen nemen de atomen niet waar zoals zij werkelijk zijn:
In werkelijkheid weten wij niets, want de waarheid schuilt in de diepte.
Niettemin zijn de zintuigen de gids van het verstand:
‘Ellendig verstand, uit ons haal je je bewijzen en toch verwerp je ons? Die verwerping betekent je eigen val.’
In weerwil van zijn mechanistische wereldverklaring meent Democritus dat de geest uitstijgt boven het lichaam en dat geluk niet schuilt in materiële goederen maar in de ziel.
De geboorte van de moderne natuurwetenschap (I)
Plato
Plato onderscheidt vijf basiscategorieën: bestaan, identiteit, verschil, rust, beweging.
Meetkundige verklaring van de stoffelijke wereld: punt >> lijn >> vlak >> ruimtelijk lichaam.
De materie (Grieks hulē ‘stof’) zuivere ‘ontvankelijkheid’ (hupodochē).
De wereld (kosmos) niet in tijd en ruimte maar tijd en ruimte in de wereld.
De demiurg schept de tijd als bewegend beeld (Heraclitus) van de onbeweeglijke eeuwigheid (Parmenides).
Aristoteles
Volgens Aristoteles streeft de natuur steeds van vermogen (dunamis) naar realisatie (energeia).
Het gedrag van dingen bepaald door vier ‘oorzaken’ of ‘redenen’: hun materie, hun vorm, hun bewerker en hun doel.
Relativiteit van materie en vorm: iedere vorm kan als materie dienen voor een volgende vorm of ontwikkeling.
Alle verandering is beweging (kinesis); alle beweging vereist een beweger.
De ‘eerste beweger’ niet bron maar doel (aantrekking) van alle beweging in het universum.
De elementen door gemeenschappelijke eigenschappen met elkaar verbonden: aarde droog en koud, water koud en vochtig, lucht vochtig en warm, vuur warm en droog.
Opvattingen van Aristoteles die de ontwikkeling van de natuuurwetenschap hebben geremd:
◇ ‘Niets uit niets’: een ding kan slechts worden wat het in essentie al is.
In deze opvatting kan een systeem geen eigenschappen bezitten dat de samenstellende elementen niet bezitten.
◇ Observatie boven speculatie (inductie boven deductie).
Maar Aristoteles blijft steken in de collectie van waarnemingen en doet geen poging tot idealisering.
◇ De gelijkstelling van logica (redeneerkunst, syllogime) met kennisverwerving.
◇ De notie van de ‘doeloorzaak’ (Latijn causa finalis).
‘De natuur doet niets zomaar. Alles in de natuur bestaat omwille van iets of het is een hulpmiddel voor iets anders dat bestaat omwille van iets.
Vier opvattingen over de natuur
◇ Stoa: de natuur doordrongen van logos (‘rede’, ‘orde’, ‘intelligentie’).
De logos in navolging van Heraclitus gelijkgesteld of vergeleken met vuur; vandaar de menselijke intelligentie een ‘vonk’ van de rede die het universum bestiert, en de Stoïsche houding tegenover het lot (ducunt volentem fata, nolentem trahunt).
◇ Epicurisme: zuiver mechanische natuuropvatting (atomisme).
De atomen vallen door de oneindige wereldruimte en komen soms door spontane afwijkingen van hun baan bij elkaar.
◇ Aristoteles: de wereld wordt wat zij is (dynamisme).
◇ Plato: de wereld een wiskundige constructie.
Waarom de antieke natuuronderzoeker niet experimenteerde
(De economische verklaring: geen behoefte aan technologie door goedkope arbeid.)
◇ De antieke natuurwetenschap volstond met ‘de fenomenen te redden’.
◇ De antieke natuurwetenschap zocht niet naar de wetmatigheid van de verandering maar naar het onveranderlijke achter de verandering.
◇ Volgens de classicus Francis Cornford schreef de antieke natuuronderzoeker een geschiedenis van de kosmos die niet voor herhaling (experiment) vatbaar is.
Philosophia theologiae ancilla
In de Middeleeuwen was ‘de filosofie dienster van de theologie’. Voorzover de middeleeuwse filosofie was gericht op kennisvergaring, werd zij bovendien geheel beheerst door de logica van Aristoteles, die in dit tijdvak gold als ‘de filosoof’ zonder meer.
Kosmologische veronderstellingen, in 1277 veroordeeld door de bisschop van Parijs wegens strijdigheid met het geloof:
Dat God de hemel niet in rechtlijnige eenparige beweging kan brengen; want in dat geval zou er een vacuüm overblijven.
Dat wanneer alle hemellichamen weer tot hetzelfde punt terugkeren, dezelfde gebeurtenissen zich zullen herhalen.
Ockhams scheermes
In de veertiende eeuw poneerde William Ockham (inceptor venerabilis ‘eerbiedwaardige beginneling’),
◇ tegen Aristoteles (‘beweging vereist een beweger’), en
◇ vooruitlopend op Isaac Newton (relativiteit van beweging en rust),
dat voor een constante beweging geen oorzaak of beweger nodig is.
Beweging is slechts een ‘naam’ (Latijn nomen) voor de reeks van plaatsen waar een voorwerp zich achtereenvolgens bevindt (nominalisme).
Deze gedachte werd tot algemeen natuurfilosofisch principe verheven in het ‘scheermes van Ockham’:
Entia non multiplicanda praeter necessitatem.
Men moet niet meer dingen aannemen dan nodig is.
Novum organum
De essayist, rechtsgeleerde, historicus, staatsman en natuurfilosoof Francis Bacon (1561–1626) ageerde fel tegen
◇ de steriele middeleeuwse logica (gebaseerd op Aristoteles’ Organon):
‘niet om de waardeloosheid van haar auteur, maar om de vruchteloosheid van haar weg.
◇ magie, astrologie en alchemie.
Bacon verwijt de alchemist Paracelsus dat die zijn eigen motto, de natuur als leermeester, heeft verloochend:
Het heeft niet ontbroken aan zwetsende fantasten die, deels uit lichtgelovigheid, deels uit bedrog, het menselijk ras met beloften hebben overladen.
In zijn ‘Nieuwe werktuig’ (Novum organum) heeft Bacon zijn visie voor de natuurwetenschap in kernachtige spreuken verwoord:
De mens, dienaar en duider van de natuur, doet en begrijpt slechts zoveel als hij omtrent de natuurlijke orde, in het ding of in gedachten, heeft waargenomen. Meer weet hij niet, meer kan hij niet.
Doe een experiment of zoek verder.
De natuur regeert alles.
Het menselijke verstand is zichzelf tot last.
Een verstandige vraagstelling is om zo te zeggen de halve wetenschap.
De waarheid is een kind van de tijd, niet van autoriteit.