Hoofdpagina Ga naar HENRI OOSTHOUT
NederlandsEnglishEN
Politieke filosofie
Eerste les
© Henri Oosthout | 2024

Terminologie

Politiek:

◇ In engere zin: de structuur en werkwijze van de overheid. De we­ten­schap­pe­lij­ke studie hiervan heet staatkunde.

◇ Meer in het bijzonder: het door de overheid ontwikkelde en uit­ge­voer­de be­leid. De studie hiervan is onderdeel van de bestuurskunde.

◇ In ruimere zin: de wijze waarop mensen in staats- of maatschappijverband sa­men­le­ven en hun belangen onderling verenigen. De wetenschap hiervan heet politicologie.

De politicologie heeft raakvlakken met de sociologie, de psychologie, de eco­no­mie, de recht­we­ten­schap, de bestuurskunde.

Politieke filosofie: beschrijving van de wijze waarop over politiek in de ruime zin wordt ge­dacht en analyse van de kernbegrippen in dit denken (‘staat’, ‘ge­lijk­heid’, ‘de­mo­cra­tie’ enz).

De politieke filosofie biedt geen stemadvies en ontwikkelt geen beleidsplannen.


U zegt dat u niet geïnteresseerd bent in politiek, maar de politiek is geïn­te­res­seerd in u.

Leon Trotski (1879–1940)

Een legende over het ontstaan van de staat

Er was een tijd dat er wel goden bestonden maar geen sterfelijke wezens. Toen dan de voorbeschikte tijd aanbrak waarop ook die moesten ontstaan, vormden de goden hen binnen in de aarde, uit een mengsel van klei en vuur en de elementen die zich met vuur en klei laten mengen. Toen ze zover waren dat ze hun creaties in het daglicht konden brengen, gaven ze Pro­me­theus en Epimetheus de opdracht om die wezens van het nodige te voorzien en naar behoren aan elk ervan bepaalde vermogens toe te kennen.

Epimetheus vroeg Prometheus of hij het niet alleen mocht doen: „Ik deel ze uit en jij houdt toezicht.” Prometheus liet zich overhalen en zo geschiedde. Nu was Epimetheus niet erg slim en daardoor merkte hij niet dat hij alle ver­mo­gens had opgemaakt aan de dieren zonder verstand. Hij moest het menselijke geslacht nog uitrusten en hij wist niet wat hij daarmee moest beginnen. Toen Prometheus in die situatie bij hem kwam om op de verdeling toe te zien, zag die dat de andere wezens wel naar behoren van alles hun deel hadden, maar dat de mens naakt en blootsvoets was en geen leger of wapens had. En de voor­be­stem­de dag waarop ook de mens uit de aarde in het licht moest komen, brak al aan.

Prometheus wist zich geen raad, wat voor uitweg hij nog voor de mens kon vinden, en daarom stal hij van Hephaestus en Athena technische vaardigheid en ook het vuur. Op die manier had de mens wel de middelen om zich in leven te houden, maar het ontbrak hem aan politieke bekwaamheid. In die toestand leefden de mensen aanvankelijk verspreid en steden waren er niet. Ze vielen daarom ten prooi aan wilde dieren, waartegen ze volstrekt niet opgewassen waren. Hun handvaardigheid was voldoende voor voedsel, maar schoot in de strijd tegen die wilde dieren te kort.

Zij zochten dus elkaar op en probeerden te overleven door steden te stichten. Maar wanneer ze samenkwamen, deden ze elkaar onrecht, want ze be­schik­ten nu eenmaal niet over politieke vaardigheid. Het gevolg was dat ze weer verspreid raakten en ten onder gingen. Zeus was bang dat het menselijke ras geheel verloren zou gaan. Daarom zond hij Hermes om de mensen respect en recht te bezorgen. Die zouden orde in de staat brengen en de mensen sa­men­bren­gen door banden van vriendschap.

Hermes vroeg Zeus, hoe hij dat respect en dat recht dan aan de mensen moest geven: „Moet ik ze uitdelen zoals met de vaardigheden is gedaan? Daarbij ging het immers zo, dat een persoon die de geneeskunst beheerst, volstaat tegenover velen die haar niet hebben, en zo ook met de andere vakken. Moet ik dan ook recht en respect zo onder de mensen een plaats geven, of moet ik die aan iedereen uitdelen?” „Aan iedereen,” zei Zeus, „en iedereen moet er deel aan hebben. Er zouden namelijk geen staten kunnen ontstaan, als slechts enkelen daaraan deel hadden, zoals bij andere beroepen. En je moet een wet namens mij uitvaardigen, dat ze degene die niet aan respect en recht kan deel­heb­ben, moeten doden als een pest voor de staat.”

Daarom dus, Socrates, en om geen andere reden, menen de Atheners en an­de­ren, dat wanneer er gesproken moet worden over bouwkunst of een ander ambacht, slechts weinigen aan de beraadslaging mogen deelnemen, en ze verdragen niet dat iemand van buiten die kleine kring aan het overleg mee wil doen, zoals jij ook al zei. En met recht, vind ik. Maar telkens wanneer ze gaan beraadslagen over wat goed is op politiek gebied, een beraadslaging die geheel moet worden beheerst door rechtvaardigheid en verstand, dan is het logisch dat ze iedereen toelaten, omdat ieder aan rechtvaardigheid en ver­stand behoort deel te hebben, want anders zouden er geen staten zijn.

Plato

De militaire staat: Sparta

◇ In Sparta werd van de burgers vrijwel onbeperkte militaire dienst verlangd om de omliggende oorspronkelijke bevolking (‘perioiken’) te kunnen over­heer­sen.

◇ Tweekoppig koningschap dat zijn macht geleidelijk verloor aan het

◇ college van vijf 'opzichters' (ephoren).

De Atheense democratie

Grieks dēmos ’volk’.

polis ’burcht’ → ‘stad’ → ‘staat’.

politeia a) ’bur­ge­rij’, b) ‘po­li­tiek’, c) ‘staats­vorm’.


Vóór 600 v.C.: koningschap (Theseus: sunoikismos) gevolgd door aristocratie.

624: Draco hervormt het strafrecht (‘draconische wetten’) en legt het in han­den van de staat.

Maar kleine boeren gedwongen tot betaling van hoge pacht aan groot-grond­be­zit­ters. De handeldrijvende middenstand verstoken van politieke rechten.


594: Solon krijgt volmacht om

◇ de grond beter te ver­de­len,

◇ de horigheid af te schaffen en schulden te delgen,

◇ ook de niet-adellijke standen een aan­deel in het staats­be­stuur te geven,

◇ de staats­in­rich­ting in wetten te ver­an­ke­ren.

Timocratie: de hoge staatsambten alleen toe­gan­ke­lijk voor de rijksten maar de volks­ver­ga­de­ring open voor alle vrije burgers.

Want het volk heb ik zoveel invloed ge­ge­ven als vol­staat, zonder zijn waardigheid tekort te doen maar ook zonder de hand uit te strekken met meer. En ook de machtigen en rijken heb ik niets te veel verleend. Want het volk volgt zijn leiders het bes­te wanneer het noch te zeer wordt vrijgelaten noch te zeer wordt beknot.


Midden zesde eeuw: tirannie van Pisistra­tus, gesteund door de ontevreden lagere klas­sen. Economische welvaart en culturele bloei.

Kort voor 500: Clisthenes herstelt de de­mo­cra­tie. Indeling naar standen ver­van­gen door geografische verdeling. Dagelijks be­stuur in handen van de Raad van Vijf­hon­derd. Ostracisme.

479–431: Bewind van Themistocles (Per­zi­sche oorlogen) en Pericles (‘gou­den eeuw’).

Laatste decennia van de vijfde eeuw: oor­log met Sparta. De democratie ten prooi aan wisselende demagogen en de waan van de dag.

In de vierde eeuw eerst grote invloed van Perzië en dan onderwerping van de Griekse stadstaten door Alexander de Grote.


◇ De Atheense politeia was vooral gericht op gelijkheid (‘isonomie’) en evenwicht, niet zo­zeer op vrijheid.

Vrijheid gold in de Griekse oudheid niet als fundamenteel mensenrecht.

◇ Politiek was gescheiden van het huishouden.

De economie (Grieks oiko-nomia ’huishouden’) was een particuliere aan­ge­le­gen­heid; de Atheense bur­ger was als grondbezitter doorgaans zelfvoorzienend (autar­kie).

◇ De politiek beperkte zich tot de algemene organisatie van de staat (koinon).

Een uitvoerig staatsapparaat ontbrak. Bijzondere taken zoals openbare festivals en de uitrusting van legers werden door de burgers zelf uitgevoerd, betaald of georganiseerd (leitourgia ’dienst­ver­le­ning’).

◇ Betrokkenheid bij de politiek was voor de Griekse burger vanzelfsprekend.


De vrije Athener was op de eerste plaats burger van een staat. De inwoner van de moderne Westerse democratie is op de eerste plaats lid van een maat­schap­pij.

Omdat er geen onderscheid was tussen maatschappij en staat, waren fenomenen als verzet tegen de staat en partijvorming in de antieke politeia zeldzaam.

‘Macht is recht’

Onderhandeling in 417 v.C. tussen de grootmacht Athene en het eiland Melos, opgetekend door de Griekse historicus Thucydides.

De delegatie van Melos: ‘Wij zien dat u met uw krijgsmacht bent gekomen als scheidsrechters over de onderhandelingen. De afloop is dus naar alle waar­schijn­lijk­heid oorlog, als wij met terechte argumenten zegevieren, en on­der­wer­ping, als wij ons door u laten overreden.’

De Atheense delegatie: ‘Wij zullen u niet vermoeien met doorzichtige ar­gu­men­ten waarom wij het recht zouden hebben u aan te vallen, bijvoorbeeld omdat u ons onrecht zou hebben aangedaan, want dat zou niemand geloven. Wij weten beiden dat recht in menselijke aangelegen­heden slechts geldt tussen gelijken. Daarentegen doet de sterkste wat hij wil en moet de zwakste daarin berusten. Daarom willen wij u onder­werpen met zo min mogelijk inspanning en het is in ons en uw belang dat u ongedeerd blijft.’

M: ‘Het kan in uw belang zijn ons te overheersen, maar hoe kan het in ons belang zijn te worden onderworpen?’

A: ‘Omdat u door overgave het ergste kunt vermijden en wij zullen profiteren omdat wij u niet hoeven te vernietigen.’

M: ‘Maar kunnen wij niet vriend in plaats van vijand zijn en neutraal blijven?’

A: ‘Uw vijandschap is voor ons minder schadelijk dan uw vriend­schap, want voor degenen die wij al overheersen zou het een teken van onze zwakte zijn als wij uw vriendschap accepteerden, maar een bewijs van onze macht wan­neer wij uw vijandschap overwinnen.’


De sofistische machtstheorie door Plato’s broer Glauco geschetst:

Recht is wat de sterkste goed uitkomt.

Als er een ring bestond die de drager onzichtbaar zou maken, zodat hij ongezien huizen kon binnendringen, kostbaarheden kon roven en met de vrouwen van anderen het bed kon delen …

dan zou niemand zo onwankelbaar zijn dat hij rechtvaardig zou blijven en het zou verdragen zijn handen van andermans zaken af te houden.

Dit zou men toch een duidelijk bewijs moeten noemen dat een mens niet vrij­wil­lig rechtvaardig is, alsof hij zou denken dat dat voor hem persoonlijk goed is, maar alleen gedwongen, want wanneer iemand denkt dat hij on­ge­straft onrecht kan doen, zal hij het ook doen.

Laat de onrechtvaardige volmaakt onrechtvaardig zijn en de rechtvaardige vol­maakt rechtvaardig. Want het toppunt van onrechtvaardigheid is recht­vaar­dig lijken maar het niet zijn. En laat de rechtvaardige de beste van alle mensen zijn en als de slechtste worden beschouwd. En wanneer beiden hun toppunt hebben bereikt, vel dan een oordeel over wie van hen de ge­luk­kig­ste is.


Plato’s antwoord:

Zolang niet ofwel de filosofen in de staat koning zijn ofwel de huidige ko­nin­gen en machthebbers oprecht en vaardig filosoferen, zolang politieke macht en filosofie niet samenvallen, zolang de door­snee­ka­rak­ters van degenen die nu het ene najagen met uitsluiting van het andere, niet zullen zijn uitgesloten, zolang zal er voor de staat, en volgens mij ook voor de mensheid, aan ellende geen einde komen, en eerder zal de staat zelf niet tot stand kunnen komen en niet het licht zien.


De macht om onrecht te doen is in werkelijkheid de onmacht om waarlijk goed te zijn.

Plato’s ideale staat

De ‘Staat’

Een staat komt niet tot stand zolang eenieder voor zichzelf kan zorgen, maar pas wanneer de meesten aan het een of ander gebrek hebben.

De recht­vaar­dig­heid van de staat zal daarom bestaan in een recht­vaar­di­ge verdeling van rechten en plichten.

Geen onderscheid tussen man en vrouw buiten hun rol bij de voortplanting.

Geen gezinsverband maar gemeenschapsverband.


Drie klassen: regeerders, wachters, werkers.

Vier deugden:

◇ wijsheid voor de bestuurders;

◇ dapperheid voor de wachters;

Quis custodiet ipsos custodes?

◇ eensgezindheid tussen de sterkere en de zwakkere;

◇ dit alles uitmondend in de zojuist gedefinieerde rechtvaardigheid.


◇ De ideale staat moet door filosofen worden geregeerd omdat hij de na­tuur­lij­ke orde (kosmos) weer­spie­gelt die alleen aan de filosofen bekend is.

◇ De ideale staat is onpolitiek want hij kent geen spanningen of te­gen­ge­stel­de belangen (stasis, ‘stilstand’ in plaats van ‘opstand’).

◇ De ideale staat kan niet eeuwig duren.

De filosofenstaat ontaardt in een timocratie die is gebaseerd op eer, en deze in een oligarchie die is gebaseerd op rijkdom. De tegenstelling tussen arm en rijk in de oligarchie leidt tot revolutie, die op haar beurt een democratie tot stand brengt.


Plato tegenover Karl Marx:

◇ Marx vraagt radicale politieke actie in het heden (de proletarische re­vo­lu­tie) die politiek in de toekomst overbodig zal maken. Plato wil politiek over­bo­dig maken door de wijsheid van de filosofen.

◇ De ideale samenleving van Marx is egalitair, die van Plato hiërarchisch.

◇ De maatschappij van Marx veronderstelt materiële welvaart zonder de nood­zaak van zware arbeid. In die van Plato wordt het zware werk verricht door slaven.


Kritiek van Karl Popper, The open society and its enemies (1945), en anderen:

◇ De ‘legitieme leugen’ (gennaion pseudos) over de drie sociale klassen.

◇ Elke utopie bevat een kern van onverdraagzaamheid.

Utopie Grieks eigenlijk ‘geen plaats’ maar gewoonlijk opgevat als ‘goede plaats’, tegen­over dystopie ’slechte plaats (Aldous Huxley: Brave new world, 1931; George Orwell: Nineteen eighty-four, 1949).

◇ De geschiedenis verloopt niet volgens vaste wetten.

Maar:

◇ de ‘legitieme leugen’ staat in tegenstelling tot de waardeloze fabels van de dich­ters;

◇ de door Popper geschetste tegenstelling tussen liberalisme en to­ta­li­ta­ris­me gaat niet op voor de antieke wereld, omdat het totalitarisme ver­re­gaan­de controle van de staat over handelen en denken van zijn burgers ver­on­der­stelt die in de oudheid nog niet mogelijk was.


De ‘Wetten’

De menselijke wet weerspiegelt een goddelijke orde (kosmos).

De algemene beginselen van de wetgeving zullen daarom voor alle volken en voor alle tijden dezelfde zijn.

De wet regelt niet alleen het maatschappelijke leven maar ook het pri­vé­ge­drag van het individu.

De wetgeving dient als waarborg tegen de onvolmaaktheid en ondeugden van de bestuurders.


De ideale staat, geregeerd door inzicht en verstand, houdt het midden tus­sen monarchie, die is gebaseerd op vriend­schap, en democratie, die is ge­richt op vrijheid.

© Henri Oosthout |